Sociale Dialoog
Net als in de Centrale Raad voor het
Bedrijfsleven (CRB) hebben in de NAR de werknemers- en werkgeversorganisaties
zitting die representatief zijn voor de Belgische economische en sociale wereld. Samen vormen die twee raden de koepel
van een onderhandelings-/overlegstructuur die zich gaandeweg op verschillende
niveaus heeft ontwikkeld. Op het laagste niveau is er de
onderneming, waar vanaf een bepaald aantal werknemers een ondernemingsraad moet
zijn opgericht waarvan de bevoegdheden onder andere zijn vastgesteld door de op
9 maart 1972 in de NAR gesloten collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9, alsook een
comité voor preventie en bescherming op het werk, wat meer in het bijzonder de
veiligheid en de gezondheid betreft. Op bedrijfstak- en sectorniveau zijn het
de paritaire (sub)comités (ongeveer 150) die de werknemers- en
werkgeversorganisaties in staat stellen om meer bepaald door het sluiten van
collectieve arbeidsovereenkomsten, de arbeidsvoorwaarden van de eronder
ressorterende werkgevers en werknemers te regelen. De economische aspecten
worden behandeld in bijzondere raadgevende comités, d.i. de vroegere
bedrijfsraden. Op centraal niveau zijn er dan de NAR en
de CRB die door hun verenigde actie het geheel van bedrijfstakken van de
Belgische economie overkoepelen voor alle materies die onder het federale niveau
ressorteren. De opeenvolgende wetten tot hervorming
van de instellingen, die in de jaren '80 werden aangenomen, hebben er immers toe
geleid dat de Gemeenschappen en de Gewesten diverse bevoegdheden hebben gekregen
inzake economische aspecten alsook op het stuk van de sociale begeleiding van de
personen. Daarnaast werden er op gewestniveau organen opgericht die de belangen
van werknemers- en werkgeversorganisaties op dat gebied verdedigen. De NAR en de CRB onderhouden contacten
met de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (CESRW),
de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), de Economische en Sociale
Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Economische en Sociale Raad van de Duitstalige Gemeenschap. Opgemerkt dient te worden, dat de
leidende instanties van werknemers- en werkgeversorganisaties regelmatig samenkomen buiten de op centraal niveau bestaande organen. Ze vormen de "groep van 10". De contacten
van die groep van 10 zijn essentieel voor de betrekkingen tussen de organisaties
alsook voor de betrekkingen met de regering. Ze liggen ten grondslag aan het
sluiten van akkoorden, de centrale akkoorden waarvan het laatste dateert van 20 december 2000. Die akkoorden vormen richtsnoeren voor het beleid dat volgens de
organisaties gevoerd zou moeten worden inzake materies die voor hen van belang
zijn; deze richtsnoeren zijn bestemd voor de regering maar ook voor hun vertegenwoordigers op sectorniveau om als leidraad voor hun onderhandelingen
te kunnen dienen. Het centraal akkoord van 20 december 2000 voor de periode 2001-2002 legt bijvoorbeeld het accent op twee belangrijke thema's, nl. de
werkgelegenheid en de opleiding. De in de NAR vertegenwoordigde
werknemers- en werkgeversorganisaties spelen ook een belangrijke rol bij het
overleg op internationaal niveau, meer bepaald in de Internationale
Arbeidsorganisatie (IAO) en de Internationale Arbeidsconferentie. Ze nemen deel
aan de werkzaamheden die deze conferentie ieder jaar in juni organiseert ter
voorbereiding en aanneming van verdragen en aanbevelingen van de IAO. De NAR
is in dat kader het bevoorrechte forum voor het opstellen van de adviezen en
rapporten die volgens het principe van drieledig overleg van de IAO door ieder
van de lidstaten moeten worden uitgebracht en naar aanleiding waarvan de
Belgische werknemers- en werkgeversorganisaties hun standpunten kunnen
formuleren met betrekking tot de teksten die het Internationaal Arbeidsbureau
(IAB) heeft voorbereid. Ten slotte hebben diezelfde organisaties
ook hun plaats in het organigram van de instellingen van de Europese Unie en
zijn ze vertegenwoordigd in het Economisch en Sociaal Comité. In dat kader
wordt de essentiële bijdrage van werknemers- en werkgeversorganisaties aan het sociale Europa echter ook georganiseerd door een institutionalisering van de
Europese sociale dialoog en de ondertekening van het protocol nr. 14 betreffende
de sociale politiek, dat bij het Verdrag van Maastricht is gevoegd. Die tekst
geeft ze immers de mogelijkheid om zich, uitgaande van een door de commissie
opgezette raadpleging, uit te spreken over de eventuele krachtlijnen van een
communautaire actie. De onderhandelingen die in dat kader plaatsvinden, hebben de jongste jaren geleid tot drie akkoorden die
vervolgens werden geïmplementeerd door Europese richtlijnen waaraan op nationaal niveau concreet uitvoering wordt gegeven door collectieve arbeidsovereenkomsten die in de NAR worden gesloten.